Over het unieke ras
De Australian Labradoodle is een hond die je steeds vaker voorbij ziet komen. Zijn populariteit komt met name voort uit zijn vriendelijke karakter, mooie uiterlijk en zijn allergievriendelijke eigenschappen. Het is echter niet zomaar een kruising tussen een labrador en een poedel, zoals vaak wordt gedacht, maar hij is ontstaan uit een mix van meerdere rassen die deze hond samen maken tot wat hij nu is. Hieronder zullen wij hier iets meer over vertellen.

Waarom Australian?
Sommige fokkers laten het lijken alsof de Australian Labradoodle (ALD) simpelweg een Labradoodle is die toevallig uit Australië komt. Dat klopt echter niet. Een ‘gewone’ Labradoodle is een kruising tussen een Labrador Retriever en een Poedel. Een ‘gewone’ Goldendoodle is op dezelfde manier een kruising tussen een Golden Retriever en een Poedel. De ALD daarentegen heeft een veel complexere achtergrond. Hoewel de ALD deels afkomstig is van de Labrador Retriever en de Poedel, zijn er ook andere rassen betrokken bij de ontwikkeling van dit unieke ras. Tot de voorouders van de ALD behoren onder andere de English Cocker Spaniel, American Cocker Spaniel, Irish Water Spaniel en Curly Coated Retriever. Deze rassen worden samen aangeduid als de ‘Parent Breeds’.

Wat betekenen de generaties?
Het begrip generaties kan wat verwarrend zijn. Eerst is het belangrijk om de verschillende typen Labradoodles en hun afkortingen te begrijpen:
- ALD: Australian Labradoodle
- ALF: Australian Labradoodle Foundation Dog – een voorouder van de ALD zoals wij die vandaag kennen.
- S: Kruising tussen een Parent Breed en een Poedel.
- F1: Kruising tussen een Labrador Retriever en een Poedel.
Bij een ‘gewone’ Labradoodle worden generaties aangegeven met de letter F. Bijvoorbeeld:
- F1: Labrador x Poedel
- F2: F1 x F1 (oftewel een ‘gewone’ Labradoodle gekruist met een andere ‘gewone’ Labradoodle)
Er wordt vaak gezegd dat een hogere F-generatie (zoals F3, F4, enzovoort) beter is, maar dat is niet waar. Hoe hoog het getal achter de F ook is, de hond blijft qua genetica 50% Labrador en 50% Poedel. Dit zegt niets over het uiterlijk van de hond of dat hij zal verharen. Een F1B, wat een kruising is tussen een F1 en een Poedel, heeft wel een andere verhouding: 25% Labrador en 75% Poedel. Deze honden hebben vaak een gekrulde vacht en verharen minder, hoewel dat niet altijd gegarandeerd is.
Hoe ontstaat een ALD uit een F1?
Om van een F1 naar een ALD te komen, wordt eerst de tussenstap gemaakt naar ALF (Australian Labradoodle Foundation Dog). Dit gaat als volgt:
- F1 (of F2, F3, enzovoort) kruisen met een Parent Breed of een bestaande ALF:
- F1 x Cocker Spaniel = ALF1
- F1 x S = ALF1
- F2 x ALF1 = ALF1
- F1B x ALF1 = ALF1
Van daaruit worden de generaties verder opgebouwd:
- ALF1 x ALF1 = ALF2
- ALF2 x ALF2 = ALF3
Wanneer de fokker uiteindelijk bij ALF4 komt, spreken we pas van een ALD. Het proces om een ALD te fokken is zeer tijdsintensief. Fokkers hebben tientallen jaren gewerkt om zorgvuldig de Parent Breeds te combineren en zo de unieke eigenschappen van de ALD te creëren. Zelfs vandaag wordt er nog gewerkt aan het optimaliseren van het ras. Hoeveel van elke Parent Breed er precies in een ALD zit, verschilt per hond en is terug te vinden in de stamboom.

F1 of ALD: Maakt het uit?
In principe hangt het af van je wensen. Voor mensen met allergieën kan het verschil wél belangrijk zijn. Wat een fokker ook beweert, een ‘gewone’ Labradoodle biedt NOOIT garantie dat iemand zonder klachten kan samenleven met de hond. Zelfs bij de ALD is dit niet 100% zeker, maar het risico is veel kleiner: ongeveer 98% van de allergische mensen reageert niet op een ALD.
Verder spelen ook uiterlijk en verharing een rol. Bij de ALD weet je vooraf dat de pups nauwelijks zullen verharen en een specifieke vachtstructuur hebben. Als je geen allergieën hebt en het uiterlijk of de verharing van de hond je niet veel uitmaakt, kan een ‘gewone’ Labradoodle een prima keuze zijn. Zorg er wel voor dat de ouderdieren gezondheidsgetest zijn.
Hoe herken je het verschil tussen een ALD en een ‘gewone’ Labradoodle?
Prijs: Een ‘gewone’ Labradoodle is meestal goedkoper dan een ALD.
Verkoopplatform: ‘Gewone’ Labradoodles worden vaak via Marktplaats verkocht, terwijl ALD-fokkers doorgaans een wachtlijst hanteren.
Gezondheidstesten: Bij een ‘gewone’ Labradoodle wordt vaak alleen vermeld dat de ouderdieren ‘door de dierenarts gezond bevonden’ zijn. ALD-fokkers laten uitgebreide testen uitvoeren op erfelijke aandoeningen zoals HD, ED, PRA en Von Willebrand.
Ouderhonden: Bij een ‘gewone’ Labradoodle zijn de ouderdieren vaak een Labrador Retriever en een Poedel, zonder ALD’s in de stamboom.
Geschiedenis
IIn 1980 startte de Guide Dog Association een project om een hypoallergene geleidehond te ontwikkelen, geschikt voor mensen met astma en allergieën. De zoektocht naar een geschikte kandidaat leidde tot de eerste kruising tussen een Labrador Retriever en een Standaard Poedel. De combinatie van de intelligentie en trainbaarheid van de Labrador met de hypoallergene vacht van de Poedel bleek veelbelovend, en zo werd de eerste Labradoodle geboren.
Hoewel deze vroege kruising succesvol was, waren de eigenschappen nog niet consistent genoeg. Om het karakter te verzachten, de vachtstructuur te verbeteren en de allergievriendelijke kwaliteiten verder te verfijnen, voegden fokkers later genetica van zes andere rassen toe. Door deze zorgvuldige en doelgerichte selectie ontstond de Australian Labradoodle zoals we die vandaag kennen: een vriendelijke, sociale en slimme hond met een niet-verharende, allergievriendelijke vacht.
Tegenwoordig wordt de Australian Labradoodle niet alleen als geleidehond ingezet, maar is hij ook geliefd als gezinshond vanwege zijn aanhankelijke en speelse karakter.
