Het ras Australian Labradoodle

Het Australian Labradoodle ras

De Australian Labradoodle is een bijzonder ras met een doordachte achtergrond, een allergievriendelijke vacht en een karakter dat hem geschikt maakt voor bijna elk gezin. Zijn groeiende populariteit is dan ook geen toeval: wie eenmaal kennismaakt met deze hond, is vaak meteen verkocht.

Australian labradoodle ava zit in de zon

Waarom Australian?

De naam “Australian” verwijst niet naar het land van herkomst, maar naar de unieke manier waarop dit ras in Australië is ontwikkeld uit meerdere zorgvuldig geselecteerde rassen. Dat is dan ook meteen het grote verschil met een gewone Labradoodle. Een gewone Labradoodle is simpelweg een kruising tussen een Labrador Retriever en een Poedel, terwijl de Australian Labradoodle een veel complexere en doelbewust opgebouwde achtergrond heeft. Tot de voorouders behoren onder andere de English Cocker Spaniel, American Cocker Spaniel, Irish Water Spaniel en Curly Coated Retriever. Deze rassen worden samen aangeduid als de Parent Breeds.

Australian labradoodle guusje zit in de sneeuw

Hoe is het ras ontstaan?

In 1980 startte de Guide Dog Association een project om een hypoallergene geleidehond te ontwikkelen, geschikt voor mensen met astma en allergieën. De zoektocht naar een geschikte kandidaat leidde tot de eerste kruising tussen een Labrador Retriever en een Standaard Poedel. De combinatie van de intelligentie en trainbaarheid van de Labrador met de hypoallergene vacht van de Poedel bleek veelbelovend, en zo werd de eerste Labradoodle geboren.

Hoewel deze vroege kruising succesvol was, waren de eigenschappen nog niet consistent genoeg. Om het karakter te verzachten, de vachtstructuur te verbeteren en de allergievriendelijke kwaliteiten verder te verfijnen, voegden fokkers later genetica van zes andere rassen toe. Door deze zorgvuldige en doelgerichte selectie ontstond de Australian Labradoodle zoals we die vandaag kennen: een vriendelijke, sociale en slimme hond met een niet-verharende, allergievriendelijke vacht.

Tegenwoordig wordt de Australian Labradoodle niet alleen als hulphond ingezet, maar is hij ook geliefd als gezinshond vanwege zijn aanhankelijke en speelse karakter.

Wat betekenen de generaties?

Het begrip generaties kan wat verwarrend zijn. Eerst is het belangrijk om de verschillende typen en hun afkortingen te begrijpen:

  • ALD: Australian Labradoodle
  • ALF: Australian Labradoodle Foundation Dog – een voorouder van de ALD zoals wij die vandaag kennen.
  • S: Kruising tussen een Parent Breed en een Poedel.
  • F1: Kruising tussen een Labrador Retriever en een Poedel.

Bij een ‘gewone’ Labradoodle worden generaties aangegeven met de letter F. Bijvoorbeeld:

  • F1: Labrador x Poedel
  • F2: F1 x F1 (oftewel een ‘gewone’ Labradoodle gekruist met een andere ‘gewone’ Labradoodle)

Er wordt vaak gezegd dat een hogere F-generatie (zoals F3, F4, enzovoort) beter is, maar dat is niet waar. Hoe hoog het getal achter de F ook is, de hond blijft qua genetica 50% Labrador en 50% Poedel. Dit zegt niets over het uiterlijk van de hond of dat hij zal verharen. Een F1B, wat een kruising is tussen een F1 en een Poedel, heeft wel een andere verhouding: 25% Labrador en 75% Poedel. Deze honden hebben vaak een gekrulde vacht en verharen minder, hoewel dat niet altijd gegarandeerd is.

Hoe ontstaat een ALD uit een F1?

Om van een F1 naar een ALD te komen, wordt eerst de tussenstap gemaakt naar ALF (Australian Labradoodle Foundation Dog). Dit gaat als volgt:

  • F1 (of F2, F3, enzovoort) kruisen met een Parent Breed of een bestaande ALF:
    • F1 x Cocker Spaniel = ALF1
    • F1 x S = ALF1
    • F2 x ALF1 = ALF1
    • F1B x ALF1 = ALF1

Van daaruit worden de generaties verder opgebouwd:

  • ALF1 x ALF1 = ALF2
  • ALF2 x ALF2 = ALF3

Pas vanaf ALF4 spreken we van een echte ALD.

Het fokken van een ALD is een tijdsintensief proces. Fokkers hebben tientallen jaren gewerkt om de Parent Breeds zorgvuldig te combineren en zo de unieke eigenschappen van de ALD te creëren. Ook vandaag wordt er nog gewerkt aan het verder optimaliseren van het ras. Hoeveel van elke Parent Breed er precies in een individuele ALD zit, verschilt per hond en is terug te vinden in de stamboom.

F1 of ALD: Maakt het uit?

In principe hangt het af van je wensen. Voor mensen met allergieën kan het verschil wél belangrijk zijn. Wat een fokker ook beweert, een gewone Labradoodle biedt nooit de garantie dat iemand zonder klachten kan samenleven met de hond. Zelfs bij de ALD is dit niet 100% zeker, maar het risico is veel kleiner: ongeveer 98% van de allergische mensen reageert niet op een ALD.

Ook uiterlijk en verharing spelen een rol. Bij de ALD weet je vooraf dat de pups nauwelijks zullen verharen en een specifieke vachtstructuur hebben. Heb je geen allergieën en maakt het uiterlijk of de verharing je niet veel uit, dan kan een gewone Labradoodle een prima keuze zijn. Zorg er in dat geval wel voor dat de ouderdieren gezondheidsgetest zijn.

Het verschil herken je ook aan een aantal praktische zaken. Een gewone Labradoodle is meestal goedkoper dan een ALD en wordt vaker via Marktplaats aangeboden, terwijl ALD-fokkers doorgaans met een wachtlijst werken. Bij een gewone Labradoodle wordt gezondheidstesting vaak beperkt tot een algemene keuring door de dierenarts, terwijl ALD-fokkers uitgebreide testen laten uitvoeren op erfelijke aandoeningen zoals HD, ED, PRA en Von Willebrand.


Meer weten over de vacht?

Wil je meer weten over de verschillende vachten van de Australian Labradoodle, hun kenmerken en onderhoud? Ontdek hier alles over de soorten vachten, lengte en verzorging.